Blog 4 – Een lekker potje schelden

Hoewel mijnwerkers op sommige vlakken solidair met elkaar waren (zie blog 3), betekende dat niet dat men elkaar altijd aardig aansprak. In mijn zoektocht naar de herkomst van het woord ‘koempel’ en ‘koempelmentaliteit’ stuitte ik op het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, aflevering 5: de Mijnwerker ( https://www.e-wld.nl/). Hierin staat het jargon van en rondom de mijnwerker opgetekend, en dit bevat een interessante categorie: scheldwoorden of spottende bijnamen.

Natuurlijk is het een heimelijk genoegen om iets ‘wetenschappelijks’ over scheldwoorden te zeggen. Maar ik ben vooral ook benieuwd welke groepen als ‘apart’ of ‘anders’ werden gezien, en daarom blijkbaar een bepaalde terminologie behoefden. Kunnen we aan scheldwoorden iets aflezen over de sociale structuur?

Ik heb niet de pretentie om hier causale verbanden aan te ontlenen – de woorden op zichzelf zeggen niets over welk effect ze hadden of met welke intensiteit ze werden gebruikt. Maar het laat wel zien dat er categorieën van mensen waren die ‘iets deden’ of ‘iets waren’ dat anderen niet konden waarderen.

Afgeven op collega’s

Een eerste interessante categorie is die waarin benamingen worden gegeven aan collega’s die niet volgens ‘de norm’ werken. Allereerst zijn daar de overdreven harde werkers, aangeduid als ‘akkoordbedervers’, ‘kolenwolven’ ‘doodwroeters’ (in België) of iets dat we tegenwoordig nog kennen: ‘streber’. De term ‘akkoordbederver’ komt waarschijnlijk voort uit het feit dat er akkoorden werden afgesproken tussen de mijn en de mijnwerker over de hoeveelheid kool die weg moest worden geslagen. Wanneer mensen steevast harder werken dan het akkoord wordt die norm natuurlijk opgeschroefd, en daarom ‘bedorven’.

Aan de andere kant zijn er benamingen voor luie of zwakke arbeiders, zoals luie piemel, luie beer of ‘votloak’ (scheldnaam voor een nietsnut). Ook ‘slappe trekhond’ werd gebruikt voor iemand die het niveau niet kon bijbenen en zijn stuk niet ontkoold kreeg.

Mijn persoonlijke favoriet ligt in de categorie ‘hielenlikker’, te weten het scheldwoord ‘mijnhoer’ of ‘kuilhoer’. Dit was een benaming voor iemand die “een wit voetje bij de opzichter wilde halen om zodoende zo vaak mogelijk ’s zaterdags en ’s zondags te kunnen werken. Dus iemand die met de mijn getrouwd was. Ook wel iemand die buiten het bedrijf te veel over zijn werk sprak” (te vinden op pagina 16 van het Woordenboek Limburgse Dialecten). Ook ‘vottekroeper’ was een scheldnaam voor een hielenlikker.

blog 4_De definitie van mijnhoer in het Woordenboek Limburgse Dialecten
De definitie van mijnhoer in het Woordenboek Limburgse Dialecten https://www.e-wld.nl/

In deze hoedanigheid hadden bijnamen of scheldwoorden dus vaak betrekking op het niveau en de snelheid van werken: niet te langzaam maar ook niet te snel. Ook werd het niet gewaardeerd om te heulen met de vijand (de opzichter in dit geval). Het laat zien dat er tussen mijnwerkers op elkaar gelet werd, niet alleen vanwege de veiligheid maar ook in de normatieve zin van het woord: je was niet zomaar ‘één van ons’ maar werd geacht om volgens de geldende richtlijnen te werken.

Benamingen voor beambten

Een tweede interessante categorie, aansluitend op blog 2, gaat over benamingen voor mensen in hogere functies, met name beambten. Zo werd er gesproken over ‘dikkoppen’ of ‘heren met de hersens’, of ‘pennelekker’ (pennenlikker). Deze woorden refereren spottend aan wat beambten doen, iets met hun hersens in plaats van hun handen – of juist niet doen: pennenlikken klinkt immers niet echt als een nuttige bezigheid.

Daarnaast zijn in deze categorie veel woorden te vinden die op één of andere manier relateren aan de kleur ‘wit’, zoals ‘heren met de witte kragen’ (of ‘die met kraag en binde’) of ‘de witte pakken’. Zoals bekend waren er in het mijnbedrijf visuele scheidslijnen aanwezig, waarbij opzichters witte pakken droegen en kompels niet. Maar daarnaast lijkt ‘wit’ ook in meer algemene zin iets negatiefs te betekenen, in de zin van ‘verdacht smetteloos’. Van het kolen bikken word je immers binnen de kortste keren zwart en ‘wit’ zijn lijkt dus eerder een teken van luiheid dan van hard werken. Het werd door mijnwerkers dan ook grappig bevonden om ‘de witte pakken’ vies te maken, zoals ik in een eerdere blog beschrijf (blog 2).

Aanvullingen?

Van horen zeggen waren er ook benamingen voor migrantengroepen, maar daarover vond ik niets in het Woordenboek Limburgse Dialecten. Zo vertellen geïnterviewden mij dat ‘Polak’ en ‘Itak’ werden gebruikt als denigrerende termen voor Polen en Italianen, regelmatig ook met ‘vuile’ ervoor. ‘Pieren’ waren mensen die uit Maastricht kwamen.

blog 4_Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, nummer 5 'de mijnwerker'
Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, nummer 5 ‘de mijnwerker’

Wat we in ieder geval kunnen concluderen is dat hoewel er op momenten solidariteit tussen mijnwerkers was, dat niet betekent dat iedereen het goed met elkaar kon vinden of dat er geen categorisering plaatsvond van ‘bepaalde type mensen’. In hoeverre de hierboven genoemde termen neutraal of spottend werden gebruikt is moeilijk te achterhalen, maar überhaupt de noodzaak om bepaalde beestjes bij de naam te noemen laat iets zien over hoe groepen of individuen elkaar zagen.

Wat betreft het woord ‘koempelmentaliteit’ – de rode draad die door deze blogserie heenloopt – heb ik ontdekt dat dit niet in het woordenboek voorkomt. Aangezien dit woordenboek teruggrijpt op primaire bronnen, mensen die daadwerkelijk in de mijn hebben gewerkt, lijkt het erop dat de term koempelmentaliteit pas later is ontstaan.

Tot slot, ik heb vast een hoop woorden gemist en u bent welkom om hier aanvullingen op te geven (mits het geen scheldpartij over en weer wordt). En sommige vragen staan voor mij nog open: leerden Nederlanders ook scheldwoorden van migranten? En kregen mijnwerkers ook bijnamen toegeworpen, door bijvoorbeeld beambten of andere beroepsgroepen? Uw inbreng hierover is welkom.

Deze blog is de vierde uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Voor het onderzoek heeft Eva Mos in de periode november-december 2018 14 interviews gehouden. Zij heeft oud-mijnwerkers, migrant-mijnwerkers en experts gesproken. In de blogs worden bewust geen namen van de geïnterviewden genoemd, om hun privacy te beschermen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *