Blog 8 – Epiloog en nabeschouwing

Eva in gesprek met een oud-mijnwerker

Het onderzoek naar koempelmentaliteit, in al zijn vormen en hoedanigheden, zit erop. De afgelopen maanden heb ik met ongelofelijk veel interessante, geïnteresseerde, en verwelkomende mensen gesproken.

Allereerst wil ik deze mensen bedanken: de oud-mijnwerkers, de wetenschappelijke experts en geïnterviewden die anderszins zijn betrokken bij koempelmentaliteit. Dank voor alle kopjes koffie, de gesprekken in vele huiskamers, het welkome gevoel bij de oud-koempels in Brunssum, en de uitnodiging om mee te gaan naar een Roda JC wedstrijd.

Eva in gesprek met een oud-mijnwerker
Eva Mos in gesprek met een oud-mijnwerker in de huiskamer

In de afgelopen zeven blogs heb ik geprobeerd om koempelmentaliteit in al zijn hoedanigheden te belichten. Van hoe er ondergronds gewerkt werd (het arbeidsethos), tot een zinvolle oudedagsvoorziening, tot in- en uitsluiting. Koempelmentaliteit raakt dan ook aan vele debatten: Hoe wordt er met het verleden omgegaan? Welke verschillende betekenissen hangen mensen aan het verleden? Zorgde koempelmentaliteit voor de inclusie van nieuwkomers?

In blog twee en drie heb ik geprobeerd te benaderen welke rol koempelmentaliteit vroeger in het ondergrondse speelde. In blog vijf en zes ga ik in op de manier waarop het momenteel vormgegeven wordt en betekenis krijgt voor mensen in de regio. In blog zeven sluit ik af met een uiteenzetting over hoe koempelmentaliteit samenhangt met vraagstukken van inclusie van nieuwkomers.

Koempelmentaliteit is niet iets waarvan een éénduidige definitie is te geven maar iets dat in verschillende sociale verbanden tot stand komt. Dat betekent: toen en nu vormt koempelmentaliteit een basis om ergens bij te horen, of ergens niet bij te horen. Vroeger was de leidraad een gedeelde focus op veiligheid en productie ondergronds, tegenwoordig biedt het bijvoorbeeld een leidraad voor gepensioneerde mijnwerkers om samen te komen. Tijdens het onderzoek heb ik gemerkt dat de belangrijkste vraag omtrent koempelmentaliteit niet zozeer is wat is het maar wat doet het?

In de vraag naar hoe het mensen bindt of bond, is niet gezegd dat hier geen mensen van zijn uitgesloten. In de laatste blog beschrijf ik dat koempelmentaliteit niet per se een garantie biedt voor de inclusie van migranten. Daarnaast woedt er een strijd over de ‘echte’ koempelmentaliteit, waarin mensen elkaar betichten van het wel of niet hebben van de juiste opvatting van deze term. Vooruit, een ‘strijd’ is wellicht een iets te groot woord, maar er is wel een proces van toe-eigening gaande waarbij sommigen schijnaar niet de juiste opvatting over koempelmentaliteit hebben.

Eva in gesprek met een oud-mijnwerker
Eva Mos in gesprek met een oud-mijnwerker in het Migratiemuseum.

Tot slot, tijdens de interviews ontstonden soms heftige discussies over migratie, migranten en de samenleving als geheel. Vanuit mijn achtergrond als socioloog ben ik gewend om me als interviewer neutraal op te stellen. De gesprekken liepen soms echter zo hoog op, dat ik ook mijn eigen visie en argumenten graag wilde delen, die niet altijd overeenkwamen met degene die ik interviewde. Desondanks ben ik blij met de openheid van de geïnterviewden en kijk ik er tevreden op terug dat we in ieder geval in gesprek zijn gegaan. Dat is dan ook één van de belangrijkste doelen van het Migratiemuseum – Niet bang zijn, niet weglopen, maar elkaar aankijken en elkaar serieus nemen.


Deze blog is de achtste en laatste uit een reeks die is verschenen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs werden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In iedere week wordt vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Voor het onderzoek heeft Eva Mos in de periode november-december 2018 14 interviews gehouden. Zij heeft oud-mijnwerkers, migrant-mijnwerkers en experts gesproken. In de blogs worden bewust geen namen van de geïnterviewden genoemd, om hun privacy te beschermen.

Blog 7 – Koempelmentaliteit als inclusie?

Marokkanse jongens aan de bar bij gezellenhuis De Hem

Een gezamenlijke focus en een gedeelde werkomstandigheid kunnen een groepsgevoel, en mogelijk zelfs onderlinge solidariteit, bewerkstelligen. In het werk ondergronds was dit op momenten aanwezig, zoals ik in blog 3 beschreef. Een belangrijke vervolgvraag is: betekende deze gemeenschappelijkheid ondergronds ook de inclusie van migranten? Werkte de koempelsolidariteit als een middel om verschillen tussen Nederlanders en migranten te overbruggen? En daarom misschien: kunnen we iets leren van vroeger?

Om die vraag te beantwoorden is het van belang om het begrip ‘inclusie’ verder uit te werken. Ik kies bewust niet voor ‘integratie’, omdat dit ervan uit gaat dat het altijd de nieuwkomer is die moet integreren, in plaats van de samenleving die verwelkomend is. Ik kies daarom voor de iets neutralere term ‘inclusie’, als zijnde: het volwaardig onderdeel zijn van de gemeenschap en op gelijke voet behandelen van nieuwkomers.

Om te beoordelen of en hoe nieuwkomers geïncludeerd werden moeten we kijken naar verschillende niveaus van inclusie. Allereerst het microniveau. Dat betekent zoveel als: hoe individuen onderling, face to face, met elkaar omgaan en of daar uitsluiting plaats vindt. Voor een compleet beeld over in- en uitsluiting moet echter ook worden gekeken naar een institutioneel niveau – hoe zijn migranten geïncludeerd in instituties, zoals verenigingen, vakbonden en de woningmarkt? Tot slot een macroniveau – zijn migranten structureel achtergesteld, bijvoorbeeld juridisch of economisch?

Ik richt me hieronder met name op het microniveau, omdat dit in de interviews vooral aan bod is gekomen. Voor de volledigheid zal ik aan het eind ook kort iets zeggen over de ander niveaus.

Je had er geen ruzie mee maar het waren ook niet je beste vrienden

Zoals eerder beschreven waren er in de situatie ondergronds een aantal ingrediënten aanwezig die een gevoel van groepscohesie opriepen – men lette op elkaar, zowel op elkaars productietempo als elkaars veiligheid, en deelde emoties van avontuur en angst. Ook schepte de gemeenschappelijke antipathie tegen hogere functies van tijd tot tijd een band (zie blog 2). Maar hoe zag het onderlinge contact tussen migranten en Nederlanders eruit?

De overkoepelende tendens die uit de interviews met Nederlandse mijnwerkers naar voren komt is: er was geen groot probleem met buitenlanders maar het waren ook niet je beste vrienden. Zo zegt iemand: “ja er waren wel wat buitenlanders die je niet verstond. Daar had je geen ruzie mee ofzo, maar daar werkte je dan niet zo graag mee.” Hierin speelt mee dat Nederlandse koempels (of eerdere generaties migranten) vaak al jaren met elkaar samen werkten. Ze hadden hun vaste koempels, waardoor contact met nieuwelingen niet zo snel ontstond.

Zo vertelt een oud-mijnwerker dat wanneer er ondergronds nieuwe Marokkanen arriveerden, hij en ‘zijn vaste koempel’ tijdelijk gescheiden werden. Ieder van hen kreeg een Marokkaan aangewezen om het werk aan te leren. Maar, zo vervolg hij, dit was maximaal een paar weken. “Zodra we de kans kregen kwamen we [hij en zijn vaste koempel] weer bij elkaar”.

Wat me het meeste opvalt, is dat er wel contact was maar dat dit niet bepaald intensief genoemd kan worden. Zo vertelt een Nederlandse koempel dat hij met de Marokkaanse Ahmed samenwerkte. Wanneer ik hem vraag of hij bovengronds ook bevriend was met Ahmed zegt hij: “ja, na de dienst kleedde je je uit tot op het onderbroekje en dan zat je naast elkaar sigaret te roken”. Echter, als de jongens vervolgens in de bus naar huis stappen ging ieder weer zijn eigen weg.

Marokkanse jongens aan de bar bij gezellenhuis De Hem
Marokkanse jongens aan de bar bij gezellenhuis De Hem

Uit de interviews komt naar voren dat er weinig bemoeienis met elkaars privéleven was. Niet alleen rondom migranten, maar überhaupt kwam men weinig bij elkaar over de vloer en was iedereen te druk met zijn eigen zaken zoals het gezin, eten koken en de was doen. Waar tegenwoordig vaak sterke meningen worden verkondigd over het privéleven van migranten, denk aan de omgang met vrouwen, de inrichting van het huwelijk, de opvoeding, lijkt er in het verleden iets meer tolerantie te zijn over wat er achter de voordeur gebeurt. Aldus over het contact met Ahmed:

“Ahmed was als koempel goed, daar ging het om. Hoe hij over zijn vrouw dacht was niet mijn mening, maar daar kun je je niet mee bemoeien he.”

Niet opvallen

Hoewel er dus geen diepe of gewelddadige haat of angst was tegenover migranten (xenofobie), maken bovenstaande fragmenten wel duidelijk dat migranten als ‘anders’ worden gezien – met name de nieuwste nieuwkomers (Marokkanen). Dit anders-zijn, zo blijkt uit de interviews met migrant-mijnwerkers, werd wel degelijk gevoeld.

Overkoepelend is dit gevoel te duiden als ‘je moest beter op je tellen passen’. Zo spreken meerdere migrant-mijnwerkers over een ongelijk rechtsbesef: indien er een conflict of onenigheid was op de werkvloer óf bovengronds (bijvoorbeeld een opstootje op straat) werden migranten ‘op de trein terug’ gezet. Hoewel Nederlandse jongens ook werden ontslagen bij opstootjes, was de mogelijke consequentie voor migranten dat ze ook daadwerkelijk het land uit werden gezet. Zoals een tweede generatie Kroatische migrant me vertelt:

“Als buitenlander had je in principe dezelfde rechten maar zo gauw dat er een kink in de kabel kwam, als je in conflict lag met toezicht of je had een grote mond ofzo, dan werd je ‘angeslagen’: op een bord genoteerd ‘ontslagen’, ‘entlassen’. ‘De 15e moet je vertrekken’. Dus je had een paar weken of een maand de tijd om je boeltje te pakken en terug te gaan naar het land waar je vandaan kwam. Daar werd dus misbruik, gebruik, van gemaakt. Dus de buitenlandse mensen die ondergronds zaten moesten beter op hun tellen passen dan Nederlanders.”

Deze continue dreiging om het land uitgezet te worden (en daarmee geen baan meer te hebben) vond zijn weerslag in het gedrag van migranten. Zoals een migrant-mijnwerker me vertelt: als migrant had je weinig ruimte om ´nee´ te zeggen. Als de opzichter iets vroeg, kon je niet weigeren. Nu gold deze regel in het algemene mijnbedrijf, maar naar eigen zeggen ondervonden migranten minder spelingsruimte om in te gaan tegen eisen die aan hen werden gesteld.

Dit draagt dus bij aan een continu bewustzijn om je stil te houden en vooral niet moeilijk te doen. Dat dit doordringt in meerdere generaties vertelt de tweede-generatie Kroatische migrant mij:

“Mijn moeder zei altijd, we moesten ons rustig houden want wij waren buitenlanders en we mochten niet opvallen. Dat kweekt dan een minderwaardigheidsgevoel he. Dat drukt toch een stempel op je. Limburgers waren van: laat je niet kisten. Maar wij moesten ons gedeisd houden, van thuis uit. Vooral mijn moeder was bang dat er problemen door kwamen. Ze hebben zich nooit echt thuis gevoeld he.”

Een Marokkaanse mijnwerker vertelt mij bovendien dat hij vaak deed alsof hij begreep wat er tegen hem werd gezegd – “ik knikte gewoon ja ja” – terwijl hij het eigenlijk niet snapte. Ook vertelt hij dat hij regelmatig deed alsof hij doof was, omdat het beter werkte om je van de domme te houden dan moeilijk te doen.

Ook een opzichter bevestigt mij dat het werd gewaardeerd als je je mond hield. Zo vertelt hij mij Spanjaarden zich niet zo veel lieten zeggen en daarom als een wat moeilijker te benaderen groep werden gezien.

Maokkaanse jongens buiten bij gezellenhuis
Maokkaanse jongens buiten bij gezellenhuis

Het algemene beeld dat aldus verrijst: zolang migranten niet opvielen was alles in orde, maar of dit te bestempelen is als ‘inclusie’ vind ik zeer twijfelachtig. Als je niet gezien wordt, of preciezer nog: zoveel mogelijk moest doen om niet gezien te worden, vind ik dit niet echt een vorm van inclusie.

Niet samen werken

Daarnaast moet een mythe worden rechtgezet dat ‘iedereen met iedereen’ samenwerkte. Hoewel buitenlanders en Nederlanders soms in ploegen samen werden gezet, werd er over het arbeidsethos en samenwerking met buitenlandse arbeiders zeker wel geklaagd en wilden Nederlandse mijnwerkers niet altijd met buitenlanders samenwerken. Voor de precisie: het gaat het met name om Marokkaanse arbeiders. Polen en Duitsers, generaties die al wat langer aanwezig waren, werden minder als een probleem gezien. Marokkanen (en in mindere mate Turken) waren de laatste migrantengroepen die arriveerden, en waarover de mijnwerkers van nu nog herinneringen hebben.

Allereerst valt in de interviews regelmatig de opmerking dat Marokkanen overmatig bang waren. Ze waren erg schrikachtig, en daar werden dan ook ‘grappen’ mee uitgehaald. Er werd bijvoorbeeld een handschoen op iemands rug gegooid waarna de Marokkaan helemaal in één dook van schrik en daar werd dan om gelachen. [het idee: als er ondergronds iets op je valt is dat is vaak een teken van gevaar].

Maar die bangheid wordt ook gekoppeld aan een verminderde productiviteit. De bangigheid zorgde ervoor dat Marokkanen niet alles, of niet alles even snel, deden en waren daarom niet de ideale kandidaat waren om mee samen te werken. Zo vertelt een (Nederlandse) mijnwerker:

“Toen de Marokkanen pas kwamen, die verstond je niet. Dan moest je het dubbele werk doen, die waren vaak bang in het begin, dan moest ik bouwen en roven. En dat werkte niet zo goed natuurlijk. Dan moest je twee keer zo hard werken. Als er een stijl gevaarlijk stond, durfden ze dat niet. Hij zegt ‘ik heb een vrouw en kinderen’, ik zeg: die heb ik ook.”

Meer structureel vertelt een opzichter mij dat hij vaak bewust Marokkanen en Nederlanders apart van elkaar indeelde. (En ‘Oostenrijkers want die stonken naar rauwe knoflook en die lucht was niet te harden’). Dit deed hij naar eigen zeggen omdat Marokkanen de taal niet goed konden en daarom een gevaar waren voor de veiligheid.

Tot slot noemden Nederlandse oud-mijnwerkers dat ze van buitenlanders ‘niet goed wisten wat ze eraan hadden’ . Zoals ik in blog 3 beschreef is de vanzelfsprekende vertrouwdheid een belangrijke basis voor solidariteit, en juist die was afwezig bij nieuwkomers. Daarmee valt ook de basis onder de solidariteit weg. De onderstaande dialoog die ik met een (Nederlands) mijnwerker had legt dit precies uit:

Mijnwerker: “Je kon alles van elkaar. je wist precies hoe het ging. Wist precies wat je moest doen. Als het gevaarlijk was wist je precies hoe en wat. Dat was met die buitenlanders natuurlijk een stuk moeilijker.”

Interviewer: “Waarom ging dat moeilijk met de buitenlanders?”

Mijnwerker: “De beginfase, ze konden het niet verstaan. Ze begrepen het vaak niet. Het begrijpen van iets, dat is een ding. Die vroegen dan ook bepaalde dingen, kan ik dat doen of mag ik dat doen of is dat gevaarlijk?”

De migrant als flexibele schil

Uit het bovenstaande komt dus niet louter een positief beeld naar voren. Om het verhaal compleet te maken wil ik nog kort aandacht besteden aan meer structurele vragen van inclusie. Hadden migranten een gelijke economisch-maatschappelijke positie?

Allereerst, zo vertelt expert Serge Langeweg*, was de migrant altijd de laatste keuze in het wervingsbeleid. Op nummer één stonden jongens uit de regio, op nummer twee jongens uit Nederland, en op nummer drie jongens uit het buitenland. Dit priorieitenbeleid was niet slechts een paar jaar actief maar gedurende het grootste deel van de mijnperiode van kracht.

Ook werden migranten door de mijn gezien en benaderd als ‘de flexibele schil’. Waar werd geprobeerd een stabiele, vaste, arbeiderspopulatie op te bouwen met Nederlandse jongens, werd migranten vaak een tijdelijk contract aangeboden. Op die manier konden ze weer makkelijk ontslagen konden worden in tijden van laagconjunctuur. Dat gebeurde dan ook op grote schaal tijdens de crisis van de jaren ’30.

Dit idee van ‘tijdelijkheid’ drong ook door in de voorzieningen die werden geboden. Nederlandse jongens werden vaak geworven, of beter gezegd ‘gelokt’, met de belofte van een huis. Zo konden jonge gezinnen die elders in het land nog bij de ouders inwoonden ontsnappen aan het juk van het ouderlijk gezag, zo zegt Willibrord Rutten**. Migranten daarentegen werd geen, of karige huisvesting geboden, zoals de welbekende ‘gezellenhuizen’. Ook werd migranten ontmoedigd, of zelfs, verboden hun familie mee te nemen – vandaar ook de ‘(vrij)gezellenhuizen’. Een flink staaltje ongelijkheid wat betreft familiepolitiek dus.

Langeweg
“Emigreer in eigen land.” Jongens uit de rest van Nederland werden met gunstige voorzieningen verleid om te komen wonen en werken in de mijnstreek. Foto: Fotocollectie Continuum.

Conclusie

Het bovenstaande laat zien dat het idee van tijdelijkheid er toe doet. Tijdelijkheid betekent, net als tegenwoordig, een groter risico op ontslag, minder voorzieningen en het niet ingebed zijn in sociale contacten.

Zoals uit de interviews blijkt, was er wel wat contact tussen nieuwkomers en gevestigde mijnwerkers, en was er tegenover migranten geen diepgewortelde haat, maar het is te snel om te concluderen dat vroeger de inclusie van migranten zoveel beter ging. Misschien denken we wel dat het beter ging omdat migranten er in uitblonken om zich stil te houden, zoals hierboven beschreven.

Bovendien moeten we in ogenschouw nemen dat ten tijde van de mijnen de verzorgingsstaat als zodanig nog niet bestond – en dat veel van de huidige commotie ook te maken heeft met een onrechtvaardig gevoel omtrent sociale voorzieningen. Vroeger met nu vergelijken is niet zo’n makkelijke opgave.

Om met een positieve noot af te sluiten: misschien dat de liefde nog wel de grootste verbindingsfactor is gebleken. Als ik een Oostenrijkse migrant-mijnwerker vraag wat hem deed besluiten om hier te blijven, mengt zijn (Nederlandse) vrouw mengt zich in het gesprek: “wil je even naar mij kijken?!” Aldus: ze kregen verkering. De mijnwerker reageert: “Na 3 jaar dacht ik, zal ik teruggaan of niet, maar dan kregen we verkering dus bleef ik hier. Ik kreeg wel vanuit Oostenrijk van vader en moeder altijd oproepen en post: je moet nou terugkomen en je moet dit en je moet dat. Maar dat is niet gebeurd.”

*Serge Langeweg is expert wat betreft arbeidsvraagstukken in het Limburgse mijnbedrijf. In 2011 promoveerde hij op dit onderwerp.

**Willibrord Rutten is hoofd van de afdeling onderzoek bij het Sociaal Historisch Centrum Limburg.


Deze blog is de zevende uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Voor het onderzoek heeft Eva Mos in de periode november-december 2018 14 interviews gehouden. Zij heeft oud-mijnwerkers, migrant-mijnwerkers en experts gesproken. In de blogs worden bewust geen namen van de geïnterviewden genoemd, om hun privacy te beschermen.

Bog 5 – Strijd om de ‘echte’ koempelmentaliteit

Mijnwerkersliedjes op de accordon

Geschiedenis staat in de geschiedenisboeken, maar wordt ook op allerhande wijze toegeëigend door groepen. Neem de Tweede Wereldoorlog. Daarin vertellen (en vercommercialiseren) veel verschillende groepen hun eigen verhaal: het Veteraneninstituut, het Anne Frankmuseum, de Joodse gemeente, de verzetsbeweging en een variëteit aan film- en documentairemakers. Zij geven de geschiedenis een bepaalde betekenis, maar herschrijven hierbij ook de geschiedenis: de verhalen komen terecht in een historische canon en dragen bij aan ‘wat we ons herinneren over vroeger’. Dit wordt ook wel ‘collective memory’ genoemd.

Hierbij is regelmatig discussie over wie ‘het echte’ verhaal vertelt. Zo woedt al enkele jaren de discussie over ‘black history’. Is de VOC-geschiedenis uit de schoolboeken wel de echte geschiedenis? Wat te zeggen over het perspectief van slavernij, onderdrukking en minderheden?

In de interviews over koempelmentaliteit kwamen ook regelmatig geluiden naar voren over de ´juiste´ of ´echte´ betekenis van koempelmentaliteit en daarom staat in deze blog centraal: de strijd om de ‘echte’ koempelmentaliteit.

Het verhaal vertellen – wie voelt zich geroepen?

In het veld van ‘oud-koempels’ zijn er verschillende oud-mijnwerkers die erg zichtbaar zijn, zoals groepen die een eigen mijnmuseum hebben opgericht of als vrijwilliger fungeren in diverse mijnmusea, bijvoorbeeld in Brunssum, Kerkrade of Heerlen. Deze mijnwerkers vertellen graag hun verhaal en stoppen veel tijd en energie in het levend houden van hun geschiedenis. In de woorden van een oud-koempel: “Als ik mijn verhaal kan vertellen en kan delen ben ik weer een trotse mijnwerker.”

Even zo goed zijn er mensen die het verleden liever vergeten of zich niet geroepen voelen om zich aan te sluiten bij clubs van oud-koempels. Zo vertelt een koempel, actief in Mijnmuseum Brunssum: “nou die zitten dan niet hier. Maar die zijn er wel. We gaan wel eens spulletjes ophalen, en er zijn erbij die zeggen ‘als ik die mijnlamp zou kunnen weggooien, 10 meter was nog niet ver genoeg’. Die moeten daar niks van hebben.”

Een andere mijnwerker, tweede generatie Italiaanse migrant, vertelt daarnaast dat hij niet het idee heeft dat hij bij zo’n oud-koempelclub zou passen. Wanneer ik vraag of hij de behoefte heeft om zich bij oud-koempels aan te sluiten, antwoordt hij:

“Nee, niet om me daar bij aan te sluiten, want ik ben niet één van die koempels zoals zij. Zij hebben namelijk hier in die mijnen gewerkt. Ik heb gewoon een paar jaar in Duitsland ondergronds gezeten, ik ken die oud-koempels van hier niet. Ik ben niet die echte mijnwerker waar zij mee ondergronds hebben gezeten. Die koempels hier zijn allemaal rond dezelfde leeftijd, en die kennen elkaar allemaal wel.”

Blijkbaar voelen bepaalde mensen zich geroepen om het verleden telkens weer te delen, maar voelen anderen zich hier juist door afgestoten omdat ze het idee hebben dat ‘ze niet zijn zoals de echte’. Er heerst een idee van beslotenheid – ‘ze kennen elkaar al’ – terwijl de oud-koempels in het mijnmuseum Brunssum me vertellen dat zij vroeger nooit samen hebben gewerkt en elkaar ook pas na de sluiting van de mijnen hebben leren kennen.

Ben je wel een echte?

Interessant zijn bovendien momenten waarop mijnwerkers aan elkaar moeten bewijzen dat ze wel ‘een echte mijnwerker’ zijn. Nu speelde dit vroeger ondergronds ook al: een echte mijnwerker moet niet kleinzielig zijn, moet van avontuur houden, en heeft een ongeluk of overlijden meegemaakt (zie blog 3). Maar ook tegenwoordig speelt deze authenticiteit nog een rol. Bij de oud-koempels in Brunssum worden ook nu nog veel sterke verhalen verteld, waarbij ze tegen elkaar opbieden. Zo vertelt een Brunssumse koempel mij: “Het is ook wel eens tegen elkaar.. ik heb op de Julia gewerkt en de meesten van hier op de Hendrik. En dan gaat het ‘nee wij deden dat zo’ ‘nee wij deden dat zo’. Dan gaat het wel een beetje hard tegen elkaar in.”

Veelzeggend ook is de volgende anekdote van een tweede generatie Italiaanse migrant, tevens muzikant. Hij ziet er, naar eigen zeggen, niet uit als een echte mijnwerker: iets jonger en met een creatief uiterlijk. Hij vertelt dat hij soms accordeon speelt in verzorgingshuizen en daarbij ook mijnwerkersliedjes speelt. Wanneer er onder de bewoners oud-mijnwerkers aanwezig zijn ondervragen ze hem van top tot teen: “Dat je dat kent, ongelofelijk, hoe ken je dat?”.

Mijnwerkersliedjes op de accordon
Mijnwerkersliedjes op de accordeon. “Ik heb altijd weer dat verhaaltje dat ik moet vertellen”. Foto: Eigen materiaal

Wanneer hij uitlegt dat hij ook ondergronds heeft gewerkt is de reactie altijd: “Nee dat kan niet”. Wanneer hij vertelt dat hij in Duitsland heeft gewerkt, krijgt hij een lading met vragen ‘waar dan in Duitsland?’, ‘wat heb je daar gedaan?’, ‘Hoe diep heb je gezeten?’. Ook krijgt hij strikvragen om te kijken of hij wel genoeg weet van het werk. Dus, concludeert hij, “Ik heb altijd dat ik dat verhaaltje moet vertellen van wat ik weet en wat ik heb meegemaakt.”

Voetballers zijn geen echte koempels

Een ander terugkerend thema in de interviews is dat de voetballers van nu geen echte koempels zouden zijn. Dit wordt zowel door oud-mijnwerkers als door een supporter van Roda JC beweerd. Vaak betreft dit het ‘harde werken’ of het ‘afzien’ dat oud-mijnwerkers en voetballers uit de eerdere generatie zou kenmerken. De voetballers van nu – ‘jonge onderbetaalde scharminkels’ – zouden niet ‘doorbeuken’ en een luxe leventje leiden. Zoals één van de mensen die ik spreek het verwoordt: “Koempels zijn harde werkers, zijn stoere, brute krachten. En dat heeft niks te maken met jongens die op slippertjes lopen en heuptasjes omhebben.” Een oud-mijnwerker sluit hierbij aan:

“Veel mensen weten niet wat koempelmentaliteit betekent. Je hebt nu die voetballers hier, dik betaald. Als ze een half uurtje moeten werken zeggen ze ‘ah ik ben kapot’. Wij moesten 6 uur hard werken en we waren nog niet kapot. Als je het aan die voetballers vraagt, die krijgen een massage, bubbelbad, en wat kregen wij? Nog geen stuk zeep, moesten we zelf kopen. Wij leefden in een tijd, Nederland zeurde niet. Mij is al verweten geworden, je moet dat koempelgevoel loslaten want het is nu een andere tijd. Maar ik merk dat aan de koempels hier in Brunssum, die echte mijnwerker, die heeft dat nog.”

Slechts een buitenkant

Wanneer mensen anderen betichten van het ontbreken van koempelmentaliteit, gaat het vaak om het gemis van een historisch besef. Het icoon van ‘koempeltje’ nu wordt ingezet op allerhande Roda JC merchandise, van slabbetje tot vriendenboekje. Hierover wordt in de interviews geklaagd dat het weinig betekenis heeft en ‘nergens over gaat’. Zo wordt in één van de interviews voorgesteld dat men beter een museum kan maken waarin de Roda JC historie wordt verzameld, dan alleen een iconische buitenkant neer te zetten:

het 'koempeltje' vriendenboek van Roda JC
Een ‘koempeltje’ vriendenboekje van Roda JC. Foto: http://rodamerchandise.nl/
Een koempel-kinderslabbetje van Roda JC
Een koempel-kinderslabbetje van Roda JC. Foto: http://rodamerchandise.nl/

“Daar zet je iemand in, die voelt zich super belangrijk, mogen de hele dag het museum bewaken en rondleidingen geven, zijn super trots. Dan kan je teruggrijpen op je mijnverleden, en niet ‘ik heb een dom lullig tekeningetje gemaakt van een poppetje en hij heeft een knapzak dus hij is een koempel’. Maar dan kun je ook laten zien, die beelden van vroeger. En hoe dat kampioenschap was in tijden van de mijnen omdat wij de sterksten jongens hadden. Dat waren gewoon de jongens die ‘s ochtends sjiech draaiden en ‘s middags een balletje trapten en kampioen werden. Dan kan je die beleving weer oproepen.”

Een bewegende geschiedenis

Uit het bovenstaande wordt dus duidelijk dat geschiedenis, in dit geval het begrip ‘koempelmentaliteit’, telkens weer wordt toegeëigend door allerhande actoren en dat hierover een continue discussie woedt. Het laat zien dat geschiedenis altijd in beweging is en laat tevens de moeilijkheid zien van het definiëren van de koempelmentaliteit. Het is niet één ding, maar wordt vanuit verschillende perspectieven leven in geblazen, waarbij het ene perspectief als ‘authentieker’ wordt gezien dan het ander.

Deze blog is de vijfde uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Voor het onderzoek heeft Eva Mos in de periode november-december 2018 14 interviews gehouden. Zij heeft oud-mijnwerkers, migrant-mijnwerkers en experts gesproken. In de blogs worden bewust geen namen van de geïnterviewden genoemd, om hun privacy te beschermen.

Blog 4 – Een lekker potje schelden

Hoewel mijnwerkers op sommige vlakken solidair met elkaar waren (zie blog 3), betekende dat niet dat men elkaar altijd aardig aansprak. In mijn zoektocht naar de herkomst van het woord ‘koempel’ en ‘koempelmentaliteit’ stuitte ik op het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, aflevering 5: de Mijnwerker ( https://www.e-wld.nl/). Hierin staat het jargon van en rondom de mijnwerker opgetekend, en dit bevat een interessante categorie: scheldwoorden of spottende bijnamen.

Natuurlijk is het een heimelijk genoegen om iets ‘wetenschappelijks’ over scheldwoorden te zeggen. Maar ik ben vooral ook benieuwd welke groepen als ‘apart’ of ‘anders’ werden gezien, en daarom blijkbaar een bepaalde terminologie behoefden. Kunnen we aan scheldwoorden iets aflezen over de sociale structuur?

Ik heb niet de pretentie om hier causale verbanden aan te ontlenen – de woorden op zichzelf zeggen niets over welk effect ze hadden of met welke intensiteit ze werden gebruikt. Maar het laat wel zien dat er categorieën van mensen waren die ‘iets deden’ of ‘iets waren’ dat anderen niet konden waarderen.

Afgeven op collega’s

Een eerste interessante categorie is die waarin benamingen worden gegeven aan collega’s die niet volgens ‘de norm’ werken. Allereerst zijn daar de overdreven harde werkers, aangeduid als ‘akkoordbedervers’, ‘kolenwolven’ ‘doodwroeters’ (in België) of iets dat we tegenwoordig nog kennen: ‘streber’. De term ‘akkoordbederver’ komt waarschijnlijk voort uit het feit dat er akkoorden werden afgesproken tussen de mijn en de mijnwerker over de hoeveelheid kool die weg moest worden geslagen. Wanneer mensen steevast harder werken dan het akkoord wordt die norm natuurlijk opgeschroefd, en daarom ‘bedorven’.

Aan de andere kant zijn er benamingen voor luie of zwakke arbeiders, zoals luie piemel, luie beer of ‘votloak’ (scheldnaam voor een nietsnut). Ook ‘slappe trekhond’ werd gebruikt voor iemand die het niveau niet kon bijbenen en zijn stuk niet ontkoold kreeg.

Mijn persoonlijke favoriet ligt in de categorie ‘hielenlikker’, te weten het scheldwoord ‘mijnhoer’ of ‘kuilhoer’. Dit was een benaming voor iemand die “een wit voetje bij de opzichter wilde halen om zodoende zo vaak mogelijk ’s zaterdags en ’s zondags te kunnen werken. Dus iemand die met de mijn getrouwd was. Ook wel iemand die buiten het bedrijf te veel over zijn werk sprak” (te vinden op pagina 16 van het Woordenboek Limburgse Dialecten). Ook ‘vottekroeper’ was een scheldnaam voor een hielenlikker.

blog 4_De definitie van mijnhoer in het Woordenboek Limburgse Dialecten
De definitie van mijnhoer in het Woordenboek Limburgse Dialecten https://www.e-wld.nl/

In deze hoedanigheid hadden bijnamen of scheldwoorden dus vaak betrekking op het niveau en de snelheid van werken: niet te langzaam maar ook niet te snel. Ook werd het niet gewaardeerd om te heulen met de vijand (de opzichter in dit geval). Het laat zien dat er tussen mijnwerkers op elkaar gelet werd, niet alleen vanwege de veiligheid maar ook in de normatieve zin van het woord: je was niet zomaar ‘één van ons’ maar werd geacht om volgens de geldende richtlijnen te werken.

Benamingen voor beambten

Een tweede interessante categorie, aansluitend op blog 2, gaat over benamingen voor mensen in hogere functies, met name beambten. Zo werd er gesproken over ‘dikkoppen’ of ‘heren met de hersens’, of ‘pennelekker’ (pennenlikker). Deze woorden refereren spottend aan wat beambten doen, iets met hun hersens in plaats van hun handen – of juist niet doen: pennenlikken klinkt immers niet echt als een nuttige bezigheid.

Daarnaast zijn in deze categorie veel woorden te vinden die op één of andere manier relateren aan de kleur ‘wit’, zoals ‘heren met de witte kragen’ (of ‘die met kraag en binde’) of ‘de witte pakken’. Zoals bekend waren er in het mijnbedrijf visuele scheidslijnen aanwezig, waarbij opzichters witte pakken droegen en kompels niet. Maar daarnaast lijkt ‘wit’ ook in meer algemene zin iets negatiefs te betekenen, in de zin van ‘verdacht smetteloos’. Van het kolen bikken word je immers binnen de kortste keren zwart en ‘wit’ zijn lijkt dus eerder een teken van luiheid dan van hard werken. Het werd door mijnwerkers dan ook grappig bevonden om ‘de witte pakken’ vies te maken, zoals ik in een eerdere blog beschrijf (blog 2).

Aanvullingen?

Van horen zeggen waren er ook benamingen voor migrantengroepen, maar daarover vond ik niets in het Woordenboek Limburgse Dialecten. Zo vertellen geïnterviewden mij dat ‘Polak’ en ‘Itak’ werden gebruikt als denigrerende termen voor Polen en Italianen, regelmatig ook met ‘vuile’ ervoor. ‘Pieren’ waren mensen die uit Maastricht kwamen.

blog 4_Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, nummer 5 'de mijnwerker'
Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, nummer 5 ‘de mijnwerker’

Wat we in ieder geval kunnen concluderen is dat hoewel er op momenten solidariteit tussen mijnwerkers was, dat niet betekent dat iedereen het goed met elkaar kon vinden of dat er geen categorisering plaatsvond van ‘bepaalde type mensen’. In hoeverre de hierboven genoemde termen neutraal of spottend werden gebruikt is moeilijk te achterhalen, maar überhaupt de noodzaak om bepaalde beestjes bij de naam te noemen laat iets zien over hoe groepen of individuen elkaar zagen.

Wat betreft het woord ‘koempelmentaliteit’ – de rode draad die door deze blogserie heenloopt – heb ik ontdekt dat dit niet in het woordenboek voorkomt. Aangezien dit woordenboek teruggrijpt op primaire bronnen, mensen die daadwerkelijk in de mijn hebben gewerkt, lijkt het erop dat de term koempelmentaliteit pas later is ontstaan.

Tot slot, ik heb vast een hoop woorden gemist en u bent welkom om hier aanvullingen op te geven (mits het geen scheldpartij over en weer wordt). En sommige vragen staan voor mij nog open: leerden Nederlanders ook scheldwoorden van migranten? En kregen mijnwerkers ook bijnamen toegeworpen, door bijvoorbeeld beambten of andere beroepsgroepen? Uw inbreng hierover is welkom.

Deze blog is de vierde uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Voor het onderzoek heeft Eva Mos in de periode november-december 2018 14 interviews gehouden. Zij heeft oud-mijnwerkers, migrant-mijnwerkers en experts gesproken. In de blogs worden bewust geen namen van de geïnterviewden genoemd, om hun privacy te beschermen.

 

Blog 3 – De situatie ondergronds nader bekeken

Hoe ontstaat een groepsgevoel? Hoe ontstaat onderlinge solidariteit? Dat zijn vragen waar sociaal wetenschappers zich al sinds mensenheugenis (of meer precies, sinds midden 19e eeuw, in navolging van Émile Durkheim) mee bezig houden. Eén antwoord op deze vragen is dat bepaalde situaties geschikte ingrediënten bieden om solidariteit en cohesie te laten ontstaan. Solidariteit wordt hierin niet beschouwd als iets dat in individuen zit, maar iets dat in concrete situaties met bepaalde kenmerken ontstaat.

Laat het ondergrondse nu juist een interessante situatie zijn. In deze blog analyseer ik daarom verder hoe ‘de situatie’ van het ondergrondse eruit zag. Dit gaat verder dan te zeggen ‘tja het was de situatie’, maar bekijkt zeer nauwkeurig de specifieke kenmerken van die situatie: Hoe was precies die situatie? Bood die situatie ingrediënten om te resulteren in groepssolidariteit?

Om dit te doen maak ik gebruik van de denkbeelden van socioloog Randall Collins, die vier ‘ingrediënten’ onderscheidt die in de situatie aanwezig moeten zijn om groepssolidariteit te laten ontstaan. Deze vier ingrediënten zijn: lichamelijke nabijheid, een wederzijdse focus (of aandacht), een gedeelde emotionele staat en een grens met buitenstaanders. Hieronder bestudeer ik he deze vier ingrediënten aanwezig waren in het leven en werk ondergronds.

Lichamelijke nabijheid

Bij lichamelijke nabijheid gaat het erom dat lichamen gezamenlijk in een ruimte aanwezig zijn, en idealiter zelfs dezelfde handeling of beweging uitvoeren (een ‘synchronisatie’ van lichamen). Het mijnwerk op zichzelf bevatte natuurlijk al veel van dit soort lichamelijke synchronisatie bevat: zij aan zij met een zware drilboor op de schouder gaten boren en kolen houwen, samen stenen en kolen sjouwen en samen ‘stempels’ zetten (ondersteuningen om instorting te voorkomen).

Mijnwerkers vertellen dat dit lichamelijk samenwerken op de Ondergrondse Vakschool (red: leeropleiding voor mijnwerkers) al werd gestimuleerd: aan de ‘leesband’ moesten stenen uit de kolen worden gehaald en moest worden samengewerkt om zware keien van de band te krijgen. Ook kregen de jongens op de OVS iedere dag sportles en liepen ze samen ‘de vierdaagse’ (zie foto).

Lichamelijke synchronisatie op de OVS (Foto: Regionaal Historisch Centrum Limburg, DSM fotocollectie)

Daarnaast wordt de reis naar het ondergrondse en de route naar de werkplek omschreven als een bijzonder moment van lichamelijk samenzijn. Een mijnwerker vertelt hoe men samen in het liftje stapte en de afdaling naar een paar honderd meter diepte onderging. Bij aankomst beneden was de aanblik van al die mensen daar samen fascinerend, zoals een oud-mijnwerker me vertelt:

“Dan stap je uit en dan denk je: wow, gigantisch. Wat een plek waar al die mensen bij elkaar komen. Op dat station staan gewoon ik weet niet hoeveel mensen te wachten op treintjes in alle richtingen.”

In het treintje naar de werkplek toe zaten de mijnwerkers vervolgens enige tijd lichamelijk zij aan zij – of beter gezegd been aan been – samengepakt. Het wordt mij uitgelegd dat mijnwerkers letterlijk met de benen om elkaar gevlochten in het treintje samenzaten.

Voordat het werk begon vond dus al een hoop lichamelijke nabijheid plaats, en deze lichamelijke nabijheid is nodig om een groepsgevoel te laten ontstaan. De tocht naar het ondergrondse is toch even wat anders dan in je eentje op de fiets naar het werk.

Fotocollectie Continium
migratiemuseum Heerlen foto continium
Fotocollectie Continium
migratiemuseum Heerlen foto continium 2
Fotocollectie Continium

Een wederzijdse focus

Samen in een ruimte zijn is echter niet genoeg. Socioloog Collins beschrijft dat om groepssolidariteit te laten ontstaan een gemeenschappelijke focus op een bepaald object of activiteit nodig is. Onder de grond is dit allereerst de productie: zo veel mogelijk kolen eruit halen. Het gaat om ‘samen meters maken’, of individueel bezien: geld verdienen.

Daarbij lette je niet alleen op je eigen werk, maar ook op het werk én de snelheid van anderen. In positieve zin betekende dat dat je oplette als iemand hulp nodig had of er alleen niet uitkwam. Zoals een mijnwerker me uitlegt:

“Het was niet zo dat je werk per se afgebakend werd: ‘alleen dit en dat andere moet je niet naar kijken’. Je had geen oogkleppen op, je deed niet alleen jouw werk. Dat wil niet zeggen dat je andermans werk deed maar als iemand zei, kun je even een handje helpen, kun je dat even vasthouden, dan deed je dat. Hoewel anderen zeiden, zoek daar maar iemand anders voor, ik heb mijn eigen werk.”

In negatieve zin viel het ook op als iemand zich er makkelijk vanaf wilde maken:

“Je moet met 4, 5, 6 man samenwerken, en als je er dan één erbij hebt die niet samen met jou werkt dat merk je dan. Dat is met zwaar materiaal tillen, en die stond dan in een hoekje van ‘doen jullie dat maar pakken, dan doe ik wel het lichte werk’. Op die manier..”.

Naast de gemeenschappelijke focus op productie was het continu op elkaar letten noodzakelijk om je eigen en andermans veiligheid te garanderen. Zo werd het bijvoorbeeld opgemerkt wanneer iemand er niet helemaal bij was met zijn hoofd, omdat dit mogelijk gevaarlijke situaties kon opleveren. In mijnwerkersjargon: ‘dan gaat hij doodblijven’.

“Dat is die echte koempelmentaliteit he, dat je meteen, als je ziet, dat wordt gevaarlijk of die persoon zit op het moment niet goed, of die is te veel afgeleid.. dat gebeurde thuis ook wel eens, privé dingen, en dan wordt automatisch gezegd, kom ga even naar die kant, een beetje veiliger werk doen. Dat is wat je voor elkaar over hebt.”

Ook hoor ik dat Marokkanen tijdens de Ramadan soms wat minder zwaar werk kregen. Hier wordt wel haastig aan toegevoegd: alleen als de productie het toeliet! Het gemeenschappelijke doel van de productie stond altijd op nummer één.

Een gedeelde emotionele stemming

Een derde ingrediënt om groepssolidariteit te laten ontstaan is een gedeelde stemming of emotionele staat. Zoals menig mijnwerker het verwoordt: ‘je zit met z’n allen in hetzelfde schuitje’. Allereerst wijzen de mijnwerkers op de spanning die gepaard ging met het werk: “Het was avontuurlijk, het was adrenaline dat je had. Elke keer was er wel één of ander gevaar, daar kickte je op. Was altijd spannend. Niet dat je dat gevaarlijke graag deed, maar toch..”

Tegenover deze adrenaline staat de gedeelde emotie van angst. De afdaling op zichzelf was al een angstig moment: “De schacht die valt met een snelheid.. je maag zit in je keel als je begint te zakken, en ook als je begint te remmen. Een rollercoaster, echt verschrikkelijk, daar moet je echt even een wennen. Ik weet nog goed toen we uitstapten onder dat een aantal van die jongens gelijk weer stilstonden bij de schacht naar boven, die hadden zoiets, ik wil eruit, ik ga hier niet werken.”

Daarnaast gebeurden er tijdens het werk allerlei gevaarlijke situaties, zoals explosieven of vallende stenen. Alle oud-mijnwerkers die ik spreek hebben ofwel zelf een ongeluk meegemaakt, ofwel een ongeluk of overlijden van iemand van zeer dichtbij meegemaakt. In de woorden van een oud-mijnwerker: “Een mijnwerker die zegt ‘ik heb nooit angst gehad’ liegt”.

Ten vierde is voor het ontstaan van onderlinge solidariteit een grens met buitenstaanders nodig (het vierde ingrediënt). In blog 2 heb ik al uitgebreid besproken hoe er een grens tussen koempels en werknemers hoger in de hiërarchie ontstond . Daarom ga ik daar nu niet verder op in.

Koempelmentaliteit als situationeel begrip

Zo beschouwd waren alle vier de ‘ideale’ ingrediënten aanwezig. Collins beschrijft dat als deze vier ingrediënten aanwezig zijn, er op collectief niveau groepssolidariteit ontstaat. Op individueel niveau ontstaat daarnaast emotionele energie. Dit is niet per se een zesde-zintuig zweverigheid, maar vergelijkbaar met een gevoel dat u misschien wel kent van popconcerten of als deelnemer in een demonstratie.

Ik denk dat dit vrij dichtkomt bij de basis van de koempelmentaliteit. Koempelmentaliteit zit niet in individuen, als een soort aangeboren DNA, maar is iets dat lading krijgt binnen de grenzen van een situatie: als een situationeel begrip.

Nu heeft wat ik hierboven heb gedaan iets weg van een kookboek– ‘stop er vier ingrediënten in en zie hier de uitkomst’ – terwijl niet duidelijk is of iedereen hier hetzelfde effect aan beleeft. Zo vertellen sommige oud-mijnwerkers me dat ze die solidariteit niet erg bijzonder vonden en dat die heus niet altijd aanwezig was. Daarnaast was het werk ‘in de pijler’ een veel intensievere manier van samenwerken dan elders in de mijn (zoals in de mijngang).

Maar als we het gevoel dat raakt aan koempelmentaliteit moeten duiden, komt het neer op: ‘je weet wat je van mensen op aankon’. Het was een soort vanzelfsprekende vertrouwdheid, omdat mensen continu op elkaar letten en bewust waren van de gevaren die er speelden. Zoals een oud-mijnwerker zegt: “Je kon alles van elkaar. Je wist precies hoe het ging. Wist precies wat je moest doen. Als het gevaarlijk was wist je precies hoe en wat.”

Echter gold die vanzelfsprekendheid niet voor iedereen. Een oud-mijnwerker: “dat was met die buitenlanders natuurlijk een stuk moeilijker.” Aangezien nieuwkomers vaak geen of slecht Nederlands spraken, begrepen ze de waarschuwingen of advies niet. Ook werd in de interviews verteld dat Marokkanen niet als vanzelfsprekend wisten wat wel en niet gevaarlijk was en de hele tijd vroegen wat wel en niet mocht.

Daarnaast werden Marokkanen als zeer angstig gezien. Waar angst als gedeelde emotie enerzijds kan leiden tot een gevoel van gemeenschappelijkheid, zoals hierboven beschreven, kan het blijkbaar ook leiden tot het afgrenzen van een identiteit. Hoewel een beetje angst erbij hoorde in het ondergrondse, was ‘te bang’ zijn, waarvan bijvoorbeeld werden Marokkanen beticht, iets dat niet erg op prijs gesteld werd. Hoe koempelmentaliteit samenhangt met de inclusie van migranten beschrijf ik in mijn laatste blog.

Deze blog is de derde uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Voor het onderzoek heeft Eva Mos in de periode november-december 2018 14 interviews gehouden. Zij heeft oud-mijnwerkers, migrant-mijnwerkers en experts gesproken. In de blogs worden bewust geen namen van de geïnterviewden genoemd, om hun privacy te beschermen.

 

Blog 2 – “Wij wisten dat allemaal maar wij wisten niks”

Het koempelgevoel in reactie op ‘de meerdere’

Het hebben van een gemeenschappelijke tegenstander schept een band. Dat is een oud menselijk principe dat denkers als Norbert Elias en Randall Collins al eerder hebben onderzocht, bijvoorbeeld in het bestuderen hoe geweldsdelicten ontstaan of hoe oude buurtbewoners samenspannen tegen ongewenste nieuwe buurtbewoners. Ook in het onderzoeken van het koempelgevoel (zie blog 1) komt dit proces van ‘samen tegen de ander’ regelmatig terug. Het gaat hierin niet zozeer om ´tegen de buitenlandse ander’, maar veeleer ´tegen de hogergeplaatste ander´ zoals opzichters of inspecteurs. Wanneer ik oud-mijnwerkers vraag naar momenten waarop het koempelgevoel extra sterk aanwezig was, zijn dit vaak gebeurtenissen waar op één of andere manier een grap of leugen wordt opgehouden tegenover iemand hogerop in de bedrijfshiërarchie.

In deze blog wil ik daarom de koempelsolidariteit benaderen vanuit dit idee: als proces van onderscheiding tegenover hoger-geplaatsten, of zelfs als mogelijkheid om je onderhandelingspositie als mijnwerker samen te versterken ten aanzien van ´de hoge bazen´.

Grapjes met de witte pakken

Een eerste voorbeeld hiervan is een moment waarop ‘witte pakken’ ondergronds op inspectie komen. Een oud-mijnwerker vertelt dat inspecteurs ondergronds onderzoek komen doen en daarbij heen en weer lopen tussen tochtdeuren – een soort rubberen lamellen. Een paar koempels hebben hier echter (expres) uitwerpselen aan gesmeerd en omdat het ondergronds donker is zien de witte jassen niet waar ze tegen aan lopen..

.. toen waren wij aan het werken, en toen kwamen allemaal witte pakken. Heel hoog bezoek, Staatsmijnen Onderzoek of weet ik het. [En aan de deur] zaten een soort flappen, van rubber, dan moest je bukken en dan ging je er tussendoor. Net als bij de ingang van winkel, ga je eerst onder de ene en dan onder de andere. Dus ze gingen onder de ene door..

En wat had nou iemand gedaan, die had gepoept en die had daar wat aan gesmeerd, aan die flap. Dus die mensen met hagelwitte pakken moesten bukken, dus je zag niet wat er gaande was, dus die gaan daar onderdoor, en dat rubber [red: inclusief uitwerpselen] ging over die jassen en broeken heen! En die ene komt naar me toe en zegt, wat is dit?!”

Nu is dit niet levensbedreigend, maar zegt wel iets over het uitdagen van de status quo. De mijnwerkers kennen hun weg (in het donker), en laten op een ietwat onschuldige manier – zonder openlijk in opstand te komen – zien dat zij de ‘minder bekenden’ ondergronds eens even op de hak nemen.

Geheimen als sociaal bindmiddel

Maar echt interessant is pas de manier waarop dit incident vervolgens de gemeenschappelijke band versterkt. Zoals beschrijft de mijnwerker, na afloop van het incident:

en toen hebben ze toch gezocht om die te vinden! [red. degene die het gedaan had]. En dat was nu juist het gevoel, wij wisten dat allemaal, maar wij wisten niks. Kijk, das een beetje koempelgevoel.”

Dit idee van ‘iedereen wist wie het had gedaan maar niemand zei iets’, is een ander interessant proces. Het laat namelijk zien hoe geheimen, het gezamenlijk van iets af weten, sociale interactie en bonding kunnen bewerkstelligen en versterken. Socioloog Georg Simmel stelt dan ook dat evengoed als menselijke interactie wordt bepaald door te spreken, het gevormd wordt door de vaardigheid om stil te zijn. Geheimen maken connecties tussen mensen mogelijk.

Meer nog: het delen van een geheim, of het al dan niet onderdeel zijn van het geheim, kan er zelfs voor zorgen dat het onderhandelingsposities verandert of de machtsbalans verschuift. Als twee mensen iets weten, en de derde niet, zijn die eerste twee in staat de derde te manipuleren. De verhouding tussen ‘weten’ en ‘onwetendheid’ doet er dus toe in sociale interactie.

Dat het samen ophouden van een verhaal je onderhandelingspositie versterkt, blijkt ook uit een andere anekdote. Een mijnwerker vertelt hoe hij, na het plaatsvinden van een ongeluk ondergronds, samen met zijn collega hetzelfde ‘onware’ verhaal ophangt om de ziektekosten vergoed te krijgen:

“en nu komt het, dan zit die arme man met bebloede hand, maar wat wij deden, dat mocht niet. En als je nou wat doet dat niet mag en je wordt dan invalide, dan zou de mijn kunnen zeggen: ja jongen dat is jouw eigen schuld. Dus wij moesten een verhaaltje verzinnen. Kan je het je voorstellen? Die man zat daar met zijn hand, moest je zeggen, Guus, dat en dat hebben we gedaan. Jij bent uitgegleden, en zo is het gebeurd. Ik heb hem dat 3 of 4 keer moeten zeggen, guus, hou dat vol!

Hij moest naar het ziekenhuis, en ik moest de andere dag me melden, en dat heette staatstoezicht. Dat zijn allemaal bonzen, hoge pieten weer. En die zaten met 5 man aan een tafel en ik zat hier. En dan vroeg die ene wat en dan vroeg die andere wat, en dan die weer, en dan die weer hetzelfde. Dus je moest je verstand heel goed erbij houden, dat moest die arme man ook, dat hebben ze in het ziekenhuis precies hetzelfde gedaan, om z’n ziekbed heen. Maar het is goed gekomen gelukkig.”

Solidariteit van korte duur?

De bovenstaande voorbeelden laten zien hoe koempelsolidariteit onstaat wanneer de confrontatie met hoger-geplaatsten plaatsvindt. Aan de andere kant kon het koempelgevoel ook plotseling weg zijn wanneer een collega-koempel doorgroeide naar een hogere functie, bijvoorbeeld naar opzichter. Zo vertelt een oud-mijnwerker dat hij lange tijd met ‘Piet’ samenwerkte maar zodra ‘hij een wit pak aankreeg’ [red: opzichter werd], hij erop werd afgestraft als hij Piet bij de voornaam noemde. Zo had de koempel gezegd ‘hai Piet’, en wanneer hij de volgende dag om verlof vraagt antwoordt Piet: “ik weet al wie jij bent, geen verlof he.”

Het moet worden opgemerkt dat niet alle opzichters even onmenselijk waren. Daarnaast was ook de ongelijkheid tussen de verschillende rangen en standen in de ene periode groter en extremer dan in de andere periode, zo legt Serge Langeweg [red. historicus] uit. In de jaren ’30 was er sprake van een jaag- en drijfsysteem en een extreme uitvoering van scientific management. Vanaf de jaren ’50 kwam er meer aandacht voor menselijke sociale omgang in het gedrag en opleiding van opzichters.

Dat neemt echter niet weg dat rangen en standen altijd aanwezig en zelfs karakteristiek zijn geweest voor het mijnbedrijf. Uit de verhalen en anekdotes, er zijn er meer die ik hier niet allemaal kan beschrijven, komt een patroon naar voren waarin het koempelgevoel vaak wordt afgezet tegen degene hogerop in de hiërarchie. De anekdotes boven laten zien dat het inzetten van de koempelsolidariteit deze rangen en standen tijdelijk even opzij zet of er de spot mee drijft. Het kan worden begrepen als een sociale bonding om kortdurend te ontsnappen aan de gangbare machtsbalans. Het is een tijdelijk tegenreactie op ‘de hogergeplaatste ander’ die veel subtieler is dan openlijk verzet.

—-

Deze blog is de tweede uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

 

Blog 1 – De start van een zoektocht

Net als veel anderen die iets willen weten begon ook ik mijn onderzoek naar koempelmentaliteit met een Google-zoektocht. De eerste uitkomst: er verscheen verassend (en verdacht?) weinig. 3.690 hits om precies te zijn, zoekende op ‘koempelmentaliteit’. Ter vergelijking, de term ‘koempel’ leverde 237.000 hits op en ‘Limburgse mijnen’ 122.000 resultaten. Nu zeggen cijfers niet alles, dus ik vroeg me af waar de inhoud van al deze zoekresultaten eigenlijk over gaat. Hieronder mijn bevindingen.

De woordenboekdefinitie

Een eerste categorie van bevindingen zijn de woordenboeken – met Wikipedia als voornaamste. Niet dat dit een geïnteresseerde zoals ik veel verder helpt: de Wikipediapagina bevat vijf zinnen – zonder bronvermelding – waarbij het onduidelijk blijft waar dit stukje tekst over gaat en de gegeven definitie vandaan komt. De andere woordenboekwebsites verwijzen vervolgens allemaal terug naar de Wikipedia-definitie. Die luidt als volgt:

Het betreft hard werken voor weinig resultaat en niet te beroerd zijn om anderen te helpen, ondanks de slechte situatie waar men zelf in zit. De term stamt uit de tijd van de mijnen in Zuid-Limburg. De mijnwerkers, “koempels” genoemd, zaten in krappe mijngangen en moesten vaak hun medemijnwerkers te hulp schieten als er gevaar dreigde.”

Het gaat hier dus blijkbaar over een bepaalde gemoedstoetstand –  een emotionele staat van zijn die iets te maken heeft met hulpvaardigheid – maar het precieze hoe, wie (en wie niet), wat en waar blijft achterwege. Hoe kwam dit tot stand? Wie waren hier onderdeel van? Waar liggen de grenzen van dit begrip? Ging het om tijdelijke collegialiteit of een diepgaande vriendschap? Hoewel het begrip tot de verbeelding spreekt en voor veel mensen iets ‘vanzelfsprekends’ is, is dit juist het startpunt voor sociologen zoals ik: stilstaan bij dingen die voor mensen vanzelfsprekend zijn en doorvragen, doorvragen, doorvragen.

Roda JC

Verreweg de meeste hits hebben op één of andere manier betrekking op RodaJC, waarbij wordt ingegaan op de noodzaak voor de herbeleving of wederopstanding van koempelmentaliteit binnen de club en het huidige gebrek eraan. Zo bericht het AD dat Roda JC de voetballers een bezoek aan de mijnen liet brengen ‘zodat de Koempel-mentaliteit straks op het veld terug te zien is’. Daarnaast verwachten fans van zowel spelers als medefans dat koempelmentaliteit wordt gevoeld: van spelers dat zij tot op het bittere eind strijden voor elke bal en van medefans – die elkaar kunnen vinden op de Koempeltribune – dat ze achter hun club blijven staan wat er ook gebeurt. En daarvoor is iets nodig dat uitstijgt boven het individu – zoals een Roda promotiefilmpje oproept: ‘we need something bigger than ourselves’.

Tegengeluiden over de ophemeling van deze term zijn er echter ook. Zo lees ik op het forum van ‘Wij zijn roda jc’:

“Ik word een beetje moe van dat gedweep met koempelmentaliteit. Ik kom 45 jaar bij Roda en in de jaren dat dat de moeite waard was hoorde je daar nooit iemand over. Roda heeft zijn grote verleden ook helemaal niet aan koempelmentaliteit te danken maar gewoon aan mensen als Jacques Koole en Bert Jacobs, vaklui met oog voor talent en de kennis en visie een voetbalelftal naar een hoger plan te stuwen. [..] vage nostalgie naar helemaal niks. Ik verlang niet naar mijnwerkers, ik verlang naar mensen binnen de organisatie die een voetbalclub als Roda kunnen leiden.”

Politiek sentiment?

Een derde opvallende categorie is die waarin politieke vertegenwoordigers zich op één of andere manier identificeren met koempelmentaliteit. Zo verwijst Frans Timmermans – voormalig minister van Buitenlandse Zaken én voormalig lid van Raad van Commissarissen van Roda JC – regelmatig naar het mijnwerkersverleden van zijn familie en plaatste zelfs een tweet via #koempelmentaliteit. Ook SP-voorzitter Ron Meyer, eveneens kleinzoon van mijnwerkers, deelt en koestert koempelmentaliteit, vertelt hij in Tribune, het nieuwsblad van de SP.

Een ietwat andere vermenging van politiek en koempelmentaliteit: De Limburger vermeldt op 24 oktober jongstleden dat in de concept-profielschets voor een nieuwe Kerkraadse burgemeester stond dat deze zou moeten voldoen aan koempelmentaliteit – hoewel dat er in de definitieve versie is uitgehaald omdat ‘je niet in het verleden moet blijven hangen’.

Tot slot is de online beschikbare wetenschappelijke literatuur over koempelmentaliteit schaars. Er zijn tientallen mooie gedrukte werken over het Limburgse mijnverleden, waaruit ik ook zal putten voor mijn onderzoek, maar een overzichtsstudie of nadere wetenschappelijke beschouwing van koempelmentaliteit is, naar mijn weten, non-existent.

De start van een zoektocht

Er is één overeenkomst te vinden tussen alle zoekresultaten: ze geven een ‘ongeveer’ definitie, de één met meer nadruk op het ‘samen doen’ en ‘voor elkaar klaar staan’, de ander met meer nadruk op ‘hard werken en nooit opgeven’. Maar hoe we dit begrip moeten begrijpen in de context van toen en van nu blijft in het ongewis. Hoe komt het tot stand in concrete praktijken, en hoe staat dit begrip in verband met processen van sociale in- en uitsluiting?

Dit betekent dat er een verdere zoektocht nodig is naar enerzijds, de fundamenten, en anderzijds, de limieten van dit begrip. Want naast de eventueel verbindende functie is een even belangrijke vraag voor mij of en hoe koempelmentaliteit samenhangt met conflict en frictie. Wie behoren of behoorden niet tot de koempelmentaliteit en hoe paste koempelmentaliteit in een ondergronds gevaarlijke werkomstandigheid en een strikt gesegregeerd systeem van rangen- en standen, zowel ondergronds als bovengronds?

Vergelijk het voor het gemak met de discussie rondom de VOC-mentaliteit. Waar de één dit bejubelt zegt de ander: Is Nederland niet groot geworden over de ruggen van slaven? Zo zou je rondom koempelmentaliteit kunnen zeggen: Zijn de Limburgse mijnen niet groot geworden over de ruggen, of beter gezegd de longen, van mijnwerkers?

De speurtocht die ik vanaf heden ga starten is voor mij geslaagd als ik koempelmentaliteit kan plaatsen tussen nostalgie en de harde realiteit van het ondergrondse. Tegen mijzelf zeg ik: Glück auf!

—-

Deze blog is de eerste uit een reeks die gaat verschijnen rondom het Migratiemuseum Heerlen. De blogs worden geschreven door Eva Mos, socioloog en werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. In de weken die volgen wordt telkens vanuit een nieuw perspectief licht geworpen op koempelmentaliteit, om zo te komen tot een begrip van wat zich ondergronds en bovengronds afspeelde.

Eva Mos doet onderzoek naar koempelmentaliteit

Eva Mos is socioloog en geeft als juniordocent les aan de Universiteit van Amsterdam. Haar interesse ligt bij vraagstukken rondom de arbeidsmarkt en migratie en integratie. Eerder deed zij onderzoek naar de arbeidsmarktintegratie van statushouders in Nederland, aldus vanuit het perspectief van tegenwoordig.

Eva Mos

Voor het onderzoek in het kader van het Migratiemuseum kijkt zij naar de sociale verbanden ondergronds, de verschillende nationaliteiten die hier bij elkaar kwamen en welke rol het begrip ‘koempelmentaliteit’ daarin speelt. Voor dit onderzoek schrijft ze regelmatig blogs over haar bevindingen

Samen geven wij het museum vorm

Migratiemuseum Heerlen kaarten

Gedurende de looptijd van de tentoonstelling zal sociologe Eva Mos (verbonden aan de afdeling sociologie aan de UvA) onderzoek doen naar de herkomst en betekenis van de term ‘koempelmentaliteit’ als strategie van onderlinge saamhorigheid, ook wel bonding en bridging genoemd, en wat deze term betekent in het nu. Bonding verwijst naar verbindingen binnen een groep tussen mensen die elkaar herkennen; bridging verwijst naar het slaan van bruggen met anderen tussen mensen die van elkaar verschillen. De resultaten van het onderzoek worden besproken in het Migratiemuseum.